Kinderbeschermingsmaatregelen

Ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing

Wanneer kan ik te maken krijgen met ondertoezichtstelling of zelfs uithuisplaatsing van mijn kind(eren)? Wat is de rol van Jeugdbescherming en wat doet de Raad voor de kinderbescherming? Wat zijn mij rechten en plichten en wie helpt mij daarbij?

Ouders die te maken krijgen met Jeugdbescherming voelen zich vaak overvallen, niet gehoord  en machteloos tegenover een grote hoeveelheid organisaties die veel van hen eisen. De advocaten van Van Koutrik bieden in zo’n situatie overzicht, en helderheid en steun. Zij kunnen u goed informeren over uw rechten en plichten en wat de mogelijkheden zijn om een ongewenste beslissing van Jeugdbescherming zo veel mogelijk te voorkomen.

Wat is de feitelijke gang van zaken?

Vaak begint het traject met een melding vanuit een betrokken instantie. Dat kan school zijn, de politie, een arts of zelfs een familielid. Vaak wordt een melding gedaan bij Veilig Thuis. Deze organisatie onderzoekt in eerste instantie of de melding serieus is en zal in dat geval de Raad voor de Kinderbescherming de opdracht geven een onderzoek op te starten.

Meestal wordt er dan contact met de beide ouders opgenomen en wordt u uitgenodigd voor een gesprek. Het is verstandig om al voor het eventuele eerste gesprek contact op te nemen met een advocaat. Wij kunnen u adviseren welke vragen u kunt verwachten en welke antwoorden wel en niet in het belang van uw zaak zijn. Ook zal de Raad met uw kind willen spreken indien het daarvoor oud genoeg is en daarvoor wordt uw toestemming gevraagd. Regelmatig krijgen wij de vraag of u verplicht bent aan zo’n onderzoek mee te werken. In juridische zin kan men niet gedwongen worden mee te werken aan het onderzoek, echter de praktijk leert dat niet meewerken soms een averechts effect heeft. Het is dan ook belangrijk om uw strategie van te voren met een advocaat te bespreken.

Op het moment dat het rapport af is, wordt u in de gelegenheid gesteld om op de rapportage te reageren. Dit is een belangrijke fase in het onderzoek. De rapportage is namelijk tijdens een eventuele gerechtelijke procedure van groot gewicht bij een belangenafweging door de rechtbank. Bereid uw reactie dus goed voor, is ons advies.

Wanneer kan een kind onder toezicht worden gesteld of uit huis worden geplaatst?

Ouders zijn verantwoordelijk voor zowel een gezonde lichamelijke en geestelijke ontwikkeling en de veiligheid van hun kinderen. Soms zijn zij hiertoe zelf (tijdelijk) onvoldoende in staat. Dit kan verschillende oorzaken hebben maar is regelmatig het gevolg van problemen in het gezin zoals vechtscheidingen, schulden, maatschappelijke problemen of problematiek bij de kinderen zelf. Deze kunnen lichamelijk zijn maar hebben ook vaak te maken met het gedrag van kinderen of soms met middelengebruik van een van de ouders of beide.

Als de gezonde en veilige ontwikkeling van kinderen in gevaar komt of al is geschaad, dan kunnen ouders te maken krijgen met maatregelen van kinderbescherming, zoals de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing. Van belang daarbij is dat alle maatregelen van kinderbescherming uiterste redmiddelen zijn. Overheidsbemoeienis met het gezinsleven is pas dan gerechtvaardigd als alle mogelijke hulpverlening op vrijwillige basis heeft gefaald. Dit uitgangspunt is verankerd in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de Mens, dat onder andere het recht op "family life" in al zijn aspecten beschermt. Het streven is dat zoveel mogelijk kinderen veilig zijn met zo min mogelijk dwang.

Vrijwillige hulpverlening (drangtraject)

Jeugdbescherming kan op verschillende manieren in beeld komen bij een ouder of een gezin. Soms doet een ouders zelf een beroep op de hulpverlening en soms vindt er een melding door iemand anders plaats, bijvoorbeeld bij Veilig Thuis of via de politie. Belangrijk bij de eerste fase is het uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor de veiligheid van het kind zoveel mogelijk ligt bij het gezin en het netwerk van de ouders, zolang de jeugdige maar veilig is. Het werk van de hulpverlening zal vooral gericht zijn op aanpak van de vragen zoals: "wat is er aan de hand en wat moet er gebeuren zodat het kind of de jeugdige veilig is en blijft"?

Als de hulpverlening van mening is dat vrijwillige hulpverlening onvoldoende is dan kan een zogenaamd Drang traject worden ingezet. De ouders geeft een Drang traject vaak het gevoel van een situatie “op het randje”. De hulpverlening laat bijvoorbeeld weten dat zij de situatie zodanig ernstig vinden dat zij de Raad voor de Kinderbescherming verzoeken om een zogenaamd Raadsonderzoek uit te voeren. Verder kan het zijn dat hulpverlening al bepaalde normen stelt aan de ouders over de veiligheid van het kind. Normen die ouders het gevoel kan geven dat zij onder druk worden gezet als zij niet doen wat de hulpverlening van hen vraagt. Uiteindelijk kan de Raad voor de Kinderbescherming een verzoek bij de rechter indienen om een kind onder toezicht te stellen.